werk, bauen und wohnen

Fremdsprachige Originaltexte


Französisch | Italienisch | Englisch | Andere | Alle Texte

03 | 08
Gerrit Rietveld: Huis Verrijn Stuart, Breukelen (NL)
Hans Ibelings

Op het eerste gezicht is het huis Verrijn Stuart in Breukelen (1940-41) een uitzondering binnen het oeuvre van Gerrit Rietveld. Het heeft weinig gemeen met de modernistische architectuur en meubels waaraan hij zijn bekendheid dankt, van de rood-blauwe stoel (1918) en het Schröderhuis (1924) tot het beeldenpaviljoen voor park Sonsbeek in Arnhem (1956) en het woonhuis Van Slobbe in Heerlen (1961-64).
In het oeuvre van Rietveld is weliswaar geen enkel project te vinden dat stilistisch direct vergelijkbaar is met dit vakantiehuis, maar dat zou juist als kenmerk voor dit oeuvre kunnen worden gezien.  Tussen de stroom projecten die direct met elkaar in verband te brengen zijn, en waarin aan te tonen is dat de architect voortbouwde op eerdere ervaringen, bevat Rietvelds oeuvre ook een aantal incidenten, eenmalige experimenten en geïsoleerde momenten die niet passen in een enkelvoudige doorlopende ontwikkelingslijn. Het  Schröderhuis kan hiervan overigens als het eerste voorbeeld worden beschouwd omdat het ondanks het enorme succes voor Rietveld geen aanleiding is geweest om nadien stilistisch of formeel letterlijk op voort te bouwen.
Het Huis Verrijn Stuart, dat in stilistisch opzicht een terugslag, een archaïsme kan lijken, behoort ook tot deze eenlingen. Dit weekend- en vakantiehuis is ontworpen voor het gezin van de directeur van de Amsterdamsche Bank en bevindt zich in de Loosdrechtse Plassen, ten zuidoosten van Amsterdam. Het  houten huis  staat in het water en is gebouwd over een van de vele mini-eilanden in dit plassengebied, dat is ontstaan door veenwinning. Het huis heeft met donkergroene planken beklede gevels en een hellend dak dat is gedekt met riet, voorzien van een nok van dakpannen. Het is omgeven door een groot terras en op de verdieping is een groot balkon dat beschutting geeft aan het deel van het terras dat grenst aan de woonkamer.
De architectuur voegt zich met minimaal contrast in de omgeving. De plastische, organische vorm, die wordt versterkt door de onregelmatigheid van de planken en door de rechthoekigheid van de in kleur contrasterende kozijnen, suggereert een spontaniteit alsof het een schuur is die is gebouwd zonder vooropgezet plan. Het interieur kent een vergelijkbaar karakter. Hier is Rietvelds gevleugelde uitdrukking ‘weelde van de soberheid’  op ondubbelzinnige manier van toepassing. Afgezien van Rietvelds eigen zigzagstoelen, is alleen het grote stalen raam een indicatie dat dit huis geen ‘architecture without architects’ is, maar het product van een ontwerper die op zoek was naar een expressie die losstond van de moderne stijl. In dat opzicht is het huis verwant aan een aantal andere projecten van Rietveld uit de periode eind jaren dertig, begin jaren veertig waarin moderne stijlelementen geheel of nagenoeg ontbreken. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de demontabele houten zomerhuizen die hij ontwierp in 1937, voor verschillende welbewust primitieve houten stoelen en tafels die in de oorlogsjaren tot stand kwamen en voor het ontwerp voor een ‘architectenwoning’ uit 1946, dat in ruimtelijk opzicht overeenkomsten heeft met Huis Verrijn Stuart. Ook op stedenbouwkundig gebied maakte Rietveld in de jaren veertig enkele ontwerpen met een vergelijkbare onmoderne informaliteit, zoals voor de Rotterdamse woonwijk Zuidwijk (1943-48).
De begane grond van het Huis Verrijn Stuart  bestaat uit een grote ruimte met een laag zitgedeelte en een hoog eetgedeelte, dat grenst aan een eenvoudige keuken. Met een gordijn is een provisorische scheiding te maken tussen het eetgedeelte dat in hoogte oploopt van 3,60 tot zes meter. Het woongedeelte is extreem laag, 2,10 meter. Een grote schoorsteen, met de vuurplaats gericht op het woongedeelte, vormt het centrum van het vertrek, waarvan de vloer oorspronkelijk bestond uit schijven boomstam, ingelegd in cement. Een trap voert naar een overloop die toegang geeft tot de slaapkamers die boven het woongedeelte liggen. Op de verdieping bevindt zich ook het toilet. Het sanitair is in dit huis verder beperkt tot een wasbak in een van de slaapkamers.

De opzet met het lage woonvertrek, met het vuur van de haard als overgang naar de openheid van de hogere ruimte en, aansluitend via het hoge raam, naar de grote ruimte van het landschap, is op te vatten als een echo van een van de oudste configuraties van het wonen, in de beslotenheid van de grot met de vuurplaats bij de ingang. In dat opzicht staat dit huis ver af van de transparantie en onbegrensde ruimtelijkheid die vaak wordt geassocieerd met moderne architectuur.
Hoewel Rietveld onbetwistbaar een typische moderne voorkeur had voor het laten oplossen van de hoek – ook hier -  is zijn streven nooit geweest om onbegrensde architectuur te maken en in dat opzicht past het Huis Verrijn Stuart, los van de stilistische expressie, naadloos in zijn complete oeuvre. Bepalend voor Rietvelds architectuur is altijd het idee geweest dat een bouwwerk een tijdelijke afperking is van een  klein deel van de totale ruimte, in relatie staat tot dat totaal.
Jaap Bakema, een bewonderaar van Rietveld, parafraseerde in lyrische bewoordingen deze ruimteopvatting toen hij in 1941 in het tijdschrift De 8 en Opbouw over Huis Verrijn Stuart schreef  onder de titel  ‘De vrije vorm’: ‘Bijna nooit spreekt uit een bouwwerk de erkenning van de moeilijkheden die komen als we het levensgeheim gaan aantasten door als architect op een bepaald ogenblik voor menschen een deel van het ons omringende af te scheiden en in ruimtelijkheid in staat te stellen zich zelf te zijn bij hun dienst aan het eeuwige gebeuren. Elk van ons gaat door dit gebeuren met z’n eigen geaardheden en elk van ons voelt zich deel van de kosmos. Ieder voelt het verlangen naar de eenvoud van het al, naar het evenwicht zooals de natuur ons dat duidelijk maakt en als we bouwen dan weet dat verlangen zich vaak niet anders te uiten dan door het stellen van muren verticaal en het aanbrengen van vloeren horizontaal. (...) Het leven is al-dimensionaal. Wij leven niet horizontaal of verticaal, maar we gaan ook langs de diagonaal en langs de kromtelijnen die nooit wiskundig te bepalen zijn.’
In Huis Verrijn Stuart is volgens Bakema ‘ruimtelijkheid ontstaan, waarin de mensch zijn levenslijnen kan volgen in alle richtingen. Geen norm van de rechthoek, maar een gebogen achterwand, waaruit de overige ruimteomsluitingen zich ontwikkelen onder niet herkende hoekgrootheden. Geen bepaald-zijn in verticale of horizontale zin, maar we voelen ons in r u i m t e. .
De openheid is daar waar de natuur in Loosdrecht dat vraagt en toch bindt de plasticiteit der gemetselde haardwand ons in het wijdsche en verhindert dat we ons in het al der natuur rondom verliezen.’
In dit perspectief moet Huis Verrijn Stuart niet zozeer worden gezien als archaïsme in een tijd van architectonisch neologisme. Vanwege de nadruk op wat algemeen menselijk en van alle tijden is in de omgang met ruimte, is het eerder op te vatten als een archetypisch. 

Aus der Ausgabe 03-2008

 


website by cyberculture softwarewebsite by cyberculture software | Impressum | Site Map | Privacy Policy | Kontakt| © 2008 werk, bauen + wohnen